vrijdag 17 december 2010

Poëzie: het verband tussen zaken en het gezegde


Soms wordt je aandacht gegrepen door een zin, een woord. Het gebeurt zonder dat je nu exact weet waarom dat zo is. Je leest het en nog eens, proeft de woorden en je gaat weer door, terwijl het vaak niet eens bij je blijft naderhand. Toch is er iets verschoven in de geest. “En plots sta je na dertig jaar weer midden in het leven”, lees ik. Het is een titel voor een artikel in een tijdschrift en de regel staat er met enige nadruk op tragiek. Zonder in te gaan op de inhoud van het artikel na deze titel – want, zoals dat zo vaak gaat met dit soort uitroepen, valt de inhoud van het artikel daarna tegen – wil ik in dit opstel toch een punt maken van dit schijnbaar oninteressant verschijnsel. En zoals dat vaker gaat: je trekt aan een kennelijk los eindje en er valt een verband van betekenissen over je heen. Het gaat vooral over dat laatste: het verband van betekenissen… en dat dat over je heen valt. Bij de hier genoemde titel dacht ik, plots? Midden in het leven? Hoezo leven? Wat is dat dan precies? Wat is hiervan de betekenis? Bij literatuur denk je dat wat er in die passage verwoord staat, constant het geval zou moeten zijn. Dit zou eigenlijk bij uitstek de kracht moeten zijn van literatuur: plots midden in het leven staan, bedoel ik dan.

Ikzelf heb onlangs een gedicht geschreven, waar nogal verschillend op gereageerd werd door de lezers. In de bijlage heb ik dit gedicht onder de titel “Doorgronden” opgenomen. Als antwoord op deze reacties heb ik onder andere het volgende geschreven.

“De stad of steden. Ik zeg dat ik namen verzamel. Ik maak een kaart. Steden als niemandsland, mijn niemandsland en elk detail van dat niemandsland moet geregistreerd worden. Als een these, een gedachte, een idee, een stelling, een samenstel van dingen die een werkelijkheid vormen. Zo onderzoek ik nauwgezet dat niemandsland. Vervreemd, onthecht, zo je wil, hoewel het gedicht niet verontrustend is van stemming of inslag. Bij vervreemding probeert iemand dingen betekenis te geven, tekens met hetgeen er voor staat te verbinden. Dat draag ik bij me. “Kaarsen en kantoren”… tja, hoort dat bij elkaar? Maar het moet wel in kaart gebracht worden omdat elk detail voor de reconstructie telt. En ook elke combinatie van details telt. In de derde strofe probeer ik de menselijke maat ontdekken. In die zin (betekenis) toch de simpele dingen benoemen. En plots zo’n brug (versnelling). (….) - bruggen verbinden, kunnen perspectieven veranderen, plots en dadelijk. Daardoor ook betekenis andere inhoud geven. Hoe doorgrondelijk kan het worden”?

Ik heb dit heel snel opgeschreven als antwoord. Ik moet zeggen dat ik om een bepaalde reden wat opgesard was en daarom rolde het in een enigszins geïrriteerde gemoedstoestand vlot uit mijn toetsenbord vandaan. Achteraf ben ik het weer gaan lezen en opnieuw en ik wist toen: dit verlangt uitleg.

Betekenis
“OM MIJN OUD WOONHUIS…”
Om mijn oud woonhuis peppels staan
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.

…”.
J.H. Leopold


Er is een verschil tussen soorten betekenissen. Ik beperk me hier tot de literatuur, omdat de hele werkelijkheid te omvattend is om soorten betekenissen te omschrijven. (Overigens wil ik hiermee niet zeggen dat literatuur los te zien is van de totale werkelijkheid. Literatuur betreft juist de werkelijkheid en maakt er zelfs gebruik van door de werkelijkheid in een bijzondere context te plaatsen, maar literatuur omvat niet de hele werkelijkheid). Voor het gemak maak ik hier onderscheid tussen de “gewone” betekenis in de letterkunde en de poëtische. En in dit opstel gaat het dan om de laatste soort. Sla een bundel open of een boek met essays over poëzie en je loopt er zómaar tegenaan: betekenis van poëzie. Het bovenstaande fragment van een gedicht van Leopold is een voorbeeld. Volgens Komrij (uit; "In Liefde Bloeyende") is er sinds het ontstaan van dit gedicht al heel veel geschreven over de eerste regel van dit gedicht:

Om mijn oud woonhuis peppels staan

Ik geloof hem. Ik heb het niet allemaal gecontroleerd, maar de magie blijft bij het lezen van deze eerste regels. Het is ook zo’n regel die plots achter je geest kan blijven haken als je hem voor het eerst leest of hoort, alsof er een handvol kurkdroog warm zand op je achterhoofd sijpelt. Waar dat precies aan ligt, kan ik niet zeggen. Ik laat dat aan de lezer. Ik denk niet eens dat ik het zou kunnen verklaren en dat hoeft ook niet, want omstandige uitleg leidt tot veel letters die de magie van dit soort regels ongedaan maakt. En de kans dat de betekenis ervan achterwege blijft, is dan nog groot. Ik bedoel hier de collectieve betekenis ervan. Dat heeft te maken met de betekenis van elke individueel woord, de volgorde, de samenhang, de klank, de lettergrepen, het ritme. Iedereen zou zo’n regel willen maken.

Er zijn veel lezers en schrijvers die het hebben over smaak en dat daarover niet te twisten valt. Voor mij is een dergelijke ontsnappingspoging vaak te gemakkelijk. Het wordt dikwijls te onpas gebruikt. Als het over smaak zou gaan, dan weten de veel geroemde dichters collectief een hoop smaak te produceren, zou ik denken. Maar dat is de essentie niet. Poëzie is dé betekenisgever zonder expliciet te willen of te kunnen zijn; dat is in ieder geval voor mij zo.

Niemandsland
Ik had het in de reactie die ik schreef op “Doorgronden” en in het gedicht zelf over een these (die ik wil bepalen als mijn niemandsland). Een these is voor mij het samenstel van de werkelijkheid zoals die zich op een zeker moment aandient. Ik moet hier voorzichtig bij zijn. Dé werkelijkheid bestaat niet. Hij doet zich in verschillende (schijn)gestalten voor in veranderende contexten, hoewel ik weet dat ik bij deze uitleg niet volledig ben. Iedereen heeft een concept van de werkelijkheid… zoals die zich voordoet. Dat laatste schrijf ik zonder er verder bij na te denken achteraan. In feite schrijf ik in mijn gedicht dat ik die werkelijkheid wil ontginnen als een niemandsland, nog door niemand begaan, nog onbetreden. Ik wil die werkelijkheid exploreren, exploiteren en uniek maken; het zal slechts een momentopname zijn; dat is onontkoombaar. En het gaat erom deze werkelijkheid op poëtische wijze vast te leggen, als een foto. De ontlading ervan is ontroering of verwondering. Ook dat kan niet anders. Het voegt iets toe aan hetgeen je al wist, maar op een andere manier en vanuit een ander perspectief. (Over verwondering heb ik in een eerder essay al meer gezegd)(In de Klos nr. 7: De verwondering, ook in dit Blog terug te vinden).

De vraag is natuurlijk hoe je de werkelijkheid als niemandsland zou kunnen zien. Een werkelijkheid is gevuld; als we het over de dagelijkse werkelijkheid hebben (die doorgaans het meest interessant is), dan is die begaan. Zeker als het gaat om de werkelijkheid van de stad, wandelen er kriskras mensen doorheen. Huizen en gebouwen in een stad krijgen alleen betekenis als die een functie hebben, als ze bewoond worden, bewerkt of gemaakt en tenslotte ongedaan zijn gemaakt. De beroering zit juist in de betekenis die de realiteit heeft voor mensen, maar voor de buitenstaander zijn deze mensen als massa anoniem en is de stad in die zin een niemandsland. Ik zei in mijn stukje reactie op “doorgronden”dat dit te maken heeft met vervreemding. Vervreemding is het tegengestelde van betekenis geven. Het ontdekken van de werkelijkheid als niemandsland is in feite de onthechting door vervreemding ongedaan proberen te maken en juist hierdoor ontstaat een andere ingang voor de beschrijving ervan. Hier moet de poëzie zijn werk doen. Zo wil de dichter realiteit benaderen als niemandsland, nog onbegaan, niet betreden, nog nooit bewerkt.

Verkenning
“PORTRET VAN OLIVIA DE HAVILLAND
We trapten bussie
in verlaten straten
en zochten spoor
in van geheim door-
drongen zomeravonden
en kochten klapkauwgom
met indianenplaatjes
en het portret van
Olivia de Havilland
in een wereld die
van kwesties aan me-
kaar hing
...”
Jules Deelder


Dit gedicht bestaat uit 892 regels. Het is te lang om hier volledig te citeren. Wat Deelder doet, is een poging dat niemandsland te verkennen, de werkelijkheid uit de vergetelheid te rukken om hem in grote vaart en op hoge toon te reconstrueren. Deelder is een stadsdichter, die op deze manier probeert de hele (toen – jaren vijftig) bekende wereld – een wereld die van kwesties aan mekaar hing - in dit gedicht naar Rotterdam te halen en toch…

zochten spoor
in van geheim door-
drongen zomeravonden


Zo’n regel vertelt in het begin al van het niemandsland, waarin men spoor zoekt. Hij begint er zijn gedicht mee en eindigt er ook mee. Je ziet hem (met zijn vriendjes) lopen door de stad, tussen de huizen en de gebouwen door, de rivier langs op lange zomeravonden die vol hangen van beloften. En hij plaatst de gebeurtenissen van die tijd in de context van dat geheim, dat spoorzoeken. De dingen die hij gezien heeft en waarover hij vertelt, komen er op een bijzondere manier tot leven. Het land wemelde van leven en het lijkt toch onbetreden te zijn (door de dichter); immers hij zoekt en zocht er zijn weg. Het gedicht begint met een samenstel van woorden, dat ook weer achter het geheugen blijft haken.

We trapten bussie

Speels en op snelheid maakt het al een herinnering los en hiermee opent hij de werkelijkheid. In feite begint zijn gedicht dan ook met een oproep om samen met hem (de “we” is universeler dan de verwijzing naar de eigen vriendjes) de werkelijkheid te doorgronden.

Ik vraag me af waarom bij dit gedicht de gedachte opkomt aan Jeroen Bosch. In zekere zin is het gedicht van Deelder caleidoscopisch als tekeningen of schilderijen van Bosch. Hij plaatst dingen bij elkaar, die qua grootte of invloed (op de geschiedenis bijvoorbeeld) niet bij elkaar horen, terwijl het merkwaardigerwijs toch past in de totale werkelijkheid als visioenen van deze werkelijkheid, zoals die ooit was. Het is commentaar op één context van één wereldbeeld nog voordat wetenschap er met haar tengels aan heeft kunnen zitten; dat wil zeggen: geen deductie tot de dood intreedt. Nu is Jeroen Bosch iemand van vóór de tijd van de Verlichting en Deelder is duidelijk van ná die tijd. Ze doen in de kern wel hetzelfde: het verkennen en ontdekken van de werkelijkheid op een bijzondere manier, namelijk door het aan elkaar verbinden van symbolen. Een dergelijke “keten van symbolen” schept een onvergelijkelijke realiteit, die toch herkenbaar is. Hierdoor ontstaat geen analyse. Het is een concentraat, een samengebald verslag van het begrijpen.

Deductie en duiding

“DE SCHRIJVER
Elk woord, terwijl hij schreef, ging ademhalen
En riep een ander antwoord in zijn oor.
Telkens kwamen tusschen de bergen door
Vogels met een nieuwe tekst, en uit de dalen
Drong zulk een landelijke blijdschap door,
Zoo heerlijk zelfs begon de rots te stralen
van ’t langs geen enkelen weg meer te achterhalen
Woord uit de zon, dat zijn spraak verloor.

Hij ziet omhoog: wolken uiteen geworpen
En een zwerm vogels die naar ’t zuiden trekt.
Hij ziet omlaag: hij ziet verspreide dorpen,
Een waterput, een paard dat balken trekt.
Zo ziende wordt hij op een kruis geworpen
En in vertwijfeling uitgerekt”.
Martinus Nijhoff


Ik zei en ik zeg het nog maar een keer “voordat wetenschap er met haar tengels aan heeft kunnen zitten”. Hierbij moet ik even laten zien wat Foucault schrijft. “Eigenlijk gezegd is de taal de concrete verbinding tussen representatie en reflectie. Zij is niet zozeer communicatiemiddel tussen mensen onderling als wel de weg waarop, noodzakelijkerwijs, de representatie gemeenschap heeft met de reflectie, met het nadenken. Daarom is de Grammaire Générale in de loop van de XVIIIde eeuw voor de filosofie van zo groot belang geweest. Want deze grammatica was, zowel de spontane vorm van de wetenschap, iets als een ongecontroleerde logica van de geest, alsook de eerste gereflecteerde ontleding van de gedachte, en dus een van de meest primitieve vormen van een breuk met het onmiddellijke” . (Michel Foucault, De woorden en de dingen, pag 107)

Hier staat een hoop wijsheid op een kluitje en eigenlijk wil ik er nog iets aan toevoegen: beweging of dynamiek. In feite zegt Foucault dat ook, maar hij ziet het niet als een afzonderlijke dimensie. Hij heeft het over representatie (dat wat woorden vertegenwoordigen) en over reflectie (terug kijken op wat eerder gebeurde en wat gezamenlijk herkend wordt). Dit verbindt hij met het denken op zichzelf. Voor mij zijn ook het woord “gemeenschap” in het citaat belangrijk en de “breuk met het onmiddellijke”. En eigenlijk zegt hij – maar dat terzijde - dat grammatica in feite een wat kreupel kind is van de wetenschap.

Poëzie (of kunst in het algemeen) staat op gespannen voet met wetenschap. Poëzie geeft op een volkomen andere manier vorm en inhoud aan de werkelijkheid zonder er een oordeel over te willen uitspreken. In feite is het de oervorm van het toekennen van betekenis aan de werkelijkheid. Dingen moesten een naam hebben (representatie) en een dergelijke naam moest een universeel karakter krijgen (reflectie). Immers, anderen moeten aan de hand van deze reflectie vanuit dezelfde context een voorstelling van de vertegenwoordiging kunnen maken. De beweging (of gemeenschap) die daardoor ontstond, heeft tot verwondering geleid als oervorm van begrijpen. Poëzie grijpt steeds aan bij deze oervorm en oerbeweging. Zij moet steeds breken met het onmiddellijke; dit wil zeggen de beweging in ontelbaar verschillende patronen overbrengen en bij het beginpunt een herstart maken. Voor mij is dat bij elkaar genomen duiding. Het is zoals Nijhoff hierboven in zijn gedicht ook zegt:

Elk woord, terwijl hij schreef, ging ademhalen

En verderop in het gedicht blijkt dat dit uit de natuur zelf vandaan komt, maar als de dichter terugkijkt, ziet hij een landschap dat door mensenhanden wordt gemaakt en slaat de vertwijfeling toe. Het is alsof hij zich afvraagt of hij nog wel in staat is tot het maken van een gedicht. In een ander gedicht zegt Nijhoff:

De dichter hoort in ieder woord
Geboorten van literatuur
…


Op deze manier kan poëzie in directe zin dingen die kennelijk niets met elkaar te maken hebben, verbinden met elkaar, maar dat gebeurt zeker niet vanuit de mechaniek van het redelijk classificeren en deduceren. Proefondervindelijk is poëzie alleen te beoordelen door de verwondering te observeren en te beschrijven die uit de gemeenschap van representatie en reflectie kan ontstaan. En ga dat maar eens in kaart brengen. Telkens weer ontstaat er in deze context iets nieuws uit dezelfde bron, die maar geen rivier kan worden. Gevolgtrekkingen zijn dan ook uiterst dubieus. Schrijven we dan op zo’n manier – in een “ongecontroleerde logica” - een aparte grammatica voor de poëzie?

De dichter als niemandsland
Zo loop ik lezend door dichtbundels en ik hoef niet ver te zoeken.

“SPELGENOOT
Na vele jare het die refleksie
moeg geword daarvan om die gesig
se beeld
gewroeg te hou. Die refleksie
het deur die gesig na vore getree –
Leser geword
en elders heen gegaan”.
…
Louis Esterhuizen.


Ik weet het. Het is slechts een fragment en ik haal de essentie eruit voor mijn betoog. De dichter klinkt in dit fragment vermoeid, alsof hij er genoeg van heeft. Telkens weer lijkt hij als dichter gedwongen te worden op zoek te gaan naar reflectie met het gevolg dat hij lezer is geworden. De reflectie gaat zich zelfs fysiek manifesteren. Hij aarzelt even na “getree” alsof hij erover nadenkt hoe de transformatie zich heeft voltrokken, met andere woorden: hoe de beweging zelf is veranderd alsof er een vreemde kronkel zit in de dynamiek van het dichten zelf. Het is een metadiscussie met het “zelf”, de eigen betekenis. Hij is zichzelf niemandsland geworden, lijkt hij te zeggen. Hij beschouwt zichzelf als taal, als een gedicht.

Schepping
“PULP
Wat ons weet is enkelvoudig:
’n versigtige stap
in die rigting van wetenskap.

Wie die meervoud ken
word beslis deur God verwen.

Ek blaai deur ’n tijdskrif vir wetenskappe
verbouereerd soos Adam oor die appel.

Hoor ek oerbewus
die moeë boom van kennis
ritsel en sug”?
Daniel Hugo


De boom van kennis wordt in dit gedicht aangehaald. Genesis en het verhaal van het verlies van het paradijs. Ik kom dan ook bij het volgende uit “In den beginne was het woord …”. Het is de retorica avant-la-lettre, zeg maar. Het is tevens de tragedie van het wegzenden uit het paradijs. De mens heeft “kennis” genomen en is gedoemd de rest van zijn bestaan te deduceren en te classificeren. Het is niet anders. Hoe meer je weet, des te meer vragen komen er bij je op. Dat is de vloek van het heenzenden uit het paradijs. Maar we hebben wel het woord meegekregen, de taal dus en dat is een directe oererfenis. Immers, het woord is van God en het woord is God. Het woord is er als eerste, nog vóór de kennis. Het woord is dé manier om betekenis te geven aan de dingen: alweer de kracht van de reflectie en representatie. Ook hier zien we de gespannen verhouding tussen de wetenschap en taal en in dit verhaal zien we zelfs dat dit gepaard gaat met een banvloek. We hebben de kennis gekregen (gejat moet ik eigenlijk zeggen) en nu moeten we (als mensheid) rekenen tot in de eeuwigheid, terwijl de taal voldoende geweest zou zijn om betekenis te geven aan hetgeen we doen en laten.

“Want deze grammatica was, zowel de spontane vorm van de wetenschap, iets als een ongecontroleerde logica van de geest, alsook de eerste gereflecteerde ontleding van de gedachte, en dus een van de meest primitieve vormen van een breuk met het onmiddellijke”, legt Foucault uit, maar in het perspectief van het verhaal Genesis krijgt het een andere lading. Ik denk hierbij dan – alweer - na over de passage “iets als een ongecontroleerde logica van de geest”.

Kennis wordt in het verhaal Genesis zelfs in verband gebracht met de dood. Dat wil zeggen dat de kennis ons niet zomaar is verleend; het is een dwang geworden, een straf. We móeten wel op zoek. Stilstand is achteruitgang. Het is zelfs de primaire puls geworden voor leven, de mens een leven lang op zoek, de mensheid eeuwig op zoek en intussen groeit de toren van Babel weer en nog steeds. Het is niet te stoppen.

Is dat ook de kern van het gedicht van Daniel Hugo hier boven?

Wie die meervoud ken
word beslis deur God verwen


Wat is dit meervoud dan, waarover de schrijver het hier heeft? Onttrekt het ons aan de banvloek? Hiermee keren we dan terug naar de kracht van de poëzie. Je kunt het alleen maar op deze manier benoemen en ook op deze manier het niemandsland verkennen, het niemandsland dat kennelijk ooit het paradijs is geweest. En toch behoort poëzie gelukkig genoeg tot de dagelijkse dingen, de duiding van herhaalde schepping.



bijlage

Doorgronden

Ik verzamel namen voor de kaart,
die ik aan ’t tekenen ben.
Elke these bij de open plekken,
die mijn gang markeren,
wil ik minutieus bepalen
als mijn niemandsland.

De steden staan in stift geschreven,
opgesomd; ik draag hen
op mijn plunje mee: een brouwerij,
een koekfabriek en gevels
langs de waterkant
met kaarsen en kantoren.

In stegen staan de fietsen
en noteer ik regen naar de
menselijke maat
van slippers, kistjes, paraplu’s
en afgewaaid papier.
Bruggen schieten op het perspectief.

Elke hoek krijgt hier
bewijs van mijn bestaan,
maar zonder mening.

(Willem van Lit 221202)

maandag 13 december 2010

Coulisse van de troost


De schaduw van mijn hand
omsluit de concentratie,
duikt onder in de vroomheid
van verbeelding, die alle
zilveren momenten dekt.

Ik ontwerp de doorgang
naar de geest in cirkels
van het schrift dat voortrolt
langs de voltes van de rede
om het wachten te beoefenen,
het aarzelen bij het keren
van de drift te onderhouden.
Zo dwingend helder belt het.

Het verlangen ligt verscholen
en het staart met rood
omrande ogen uit dit blad
omhoog, bloemen uit een laag
van sneeuwkristallen, ijle
schemer van de roerloosheid.

Het besef van het verlies smelt
nooit en de belofte van de
eindigheid is onontkoombaar.
Ik voer eindeloos gesprekken
met de regels die ik schrijf,
voer kalm de dialogen met
de woorden, maar het blijven
lege maten voor herinnering,
boeken op de plank.

Gedichten worden mededogen,
merkwaardig voor herkenning,
koel, diffuus en ronder zoals
het schrift dat troebel voortijlt
langs de schermen van mijn
geestesoog en dat mijn lijfspreuk stelt.

dinsdag 9 november 2010

Beperkt onmetelijk te schrijven

RUIMTE

Gedichtenbundels gebruik ik als gebedenboekjes. Bijna elke dag pluk ik er een uit de kast en sla het willekeurig open. Ik lees wat zich op dat moment aandient.

“EEN VROUW

I

Met schaterend haar,
Met meeuwenogen, met een buidel op de buik,
Een moeder of een goede verrader,
Wie kent deze laaiende vrouw?

Haar nagels naderen mijn hout,
Haar klauwzeer wekt mijn huid,
Als een jachthoorn hangt zij in mijn haar te tuiten.

Zij nadert in vouwen en in schicht,
In hitte, in hars, in klatering,
Terwijl in staat van begeerte,
Gestrekt als een geweer en
Ín staat van aanval en van moord ik
Omvat, doorploeg en vel,
Geboden, geknield, het geurend dier
Tussen de lederzacht knieën.

Zij splijt mijn kegel
In de bekende warmte”.

Hugo Claus

Dit gedicht is een explosie van passie; het is bijna razernij om vitaliteit. Direct. Een vlammende expressie. Er gebeurt veel in die regels. Het is Claus zoals hij schrijft en mogelijk ook is. Ja, die kan nog wel even vooruit. Bij Claus móet alles op papier. Zo lees ik zijn gedichten: voluit in de lengte en breedte meet hij zijn gedrevenheid uit, gedicht na gedicht. Het is alsof hij voortdurend een gevecht levert met vrijheid. Hij denkt, de woorden zijn ervoor; ik heb de ruimte en ik neem hem ook!

Ik zei vechten met vrijheid. Dat is slag leveren met de ruimte, die onbeperkt lijkt te zijn en die je moet zien te veroveren. Het is onverzadigbaar, hard, meedogenloos. Het enige wapen is de eigen beperking. Claus gebruikt dat als dolk. Daarmee gaat hij de ruimte te lijf. Expressief. En dat is: naar buiten gericht, zodat iedereen hem moet volgen. Hij toont zich zelf ook in volle omvang: de massa en de energie Claus.

Vrijheid lijkt de norm te zijn, beter gezegd: het willen en moeten benutten van de volledige vrijheid is de norm. Met het zoeken in die ruimte die beschikbaar is, wil de dichter vernieuwing bereiken. Hij heeft taal ter beschikking die hij in elke gewenste combinatie kan gebruiken. Daarop is hij ook gericht: met een schijnbaar onbegrensde wil de volledige ruimte overbruggen met een instrument dat ook compleet lijkt te zijn. En toch wil hij ook dat instrument zo beperkt mogelijk gebruiken, zo efficiënt mogelijk. Dat is dan ook de wil tot zelfbeperking: met een karig gebruik van het expressieve middel de ruimte zo groot mogelijk maken. Hierdoor ontstaat inzicht of – met andere woorden – een nieuwe betekenis van de werkelijkheid. In vormvaste gedichten wordt de vorm ook nog gebruikt als harnas om de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk te doorkruisen.

BEPERKING

“SCHILLEN

Een doodgewone kamer, zo te zien.
Een hersencel. Haarwortels als plafond.
Veel stof, dat wel. Een magazijn misschien.
Maar toch intiem. Niets van een salon.

Het is de eerste keer dat ik hier ben.
Ik durfde nooit naar binnen. Door de deur,
Die ik al sinds mijn kinderjaren ken,
Drong steeds zo’n weeë, penetrante geur.

Daar staat een ladenkast. Ik overwin
Mijn schroom. En la na la komt, met kordate
Gebaren bloot. Er liggen dozen in.
Ik weet dat ik die eeuwig dicht moet laten”.

Gerrit Komrij

De beperking: eeuwig dicht moet laten. Angst? Komrij gebruikt het woord durfde. Of gaat het hier om een wil buiten ons om, die zegt te gehoorzamen? Dus toch niet de volledige vrijheid? Angst als excuus misschien? Dat mag uiteraard; het lijkt redelijk en het is herkenbaar. Ook bij de ontdekkingstocht in die talige ruimte zijn er plekken die taboe zijn. Het is echter wel opmerkelijk voor de dichter die er toch op uit is juist daar te zoeken en het onbekende open te wroeten. In dat opzicht lijkt het onredelijk. Dit is een ander soort beperking dan het efficiënt gebruik van taal. Het gaat hier om de ruimte zelf, waarvan de dichter weerhouden wordt deze volledig te onderzoeken.

Als je de vrijheid hebt en het instrument om deze vrijheid te veroveren, dan ligt het in de aard van de ratio dit dan ook te doen. Of juist niet? Aan wie of wat gehoorzaamt de dichter? Aan zich zelf? Maar dan gebruikt hij niet de volle ratio. Mogelijk zit hierin juist de betekenis: dat hij iets volgt of door iets wordt weerhouden wat buiten hem ligt en dát is dan juist de kern van de betekenis. Door de erkenning van de beperking, luistert hij juist naar de betekenis die het in dit verband heeft. Hij zou wel willen, maar hij vermoedt dat de beperking mogelijk betekenisvoller is. Hij weet het niet zeker; hij zal het nooit weten. Eeuwig is net zo lang als nooit.

In het gedicht van Komrij ziet men dus het tegenovergestelde van het gedicht, zoals Claus het schrijft.


IETS

“GESPREK MET DE WANDELAAR (Fragment) ….

Misschien, zegt hij, wil ik iets
om voorgoed naar te kijken, dat huis
daar beneden, het nest dat ik zelf
heb verlaten,

en de wendingen van de rivier, de lijnen
van de bergen, eindelijk stilgelegd,

zoals het daar was, het moment dat ik
uit het zicht verdween, iets

dat er is buiten mij”.

Rutger Kopland

De dichter zegt hier dat de wandelaar iets wil om voorgoed naar te kijken, iets “dat er is buiten mij”. In een essay “Het mysterie van het ‘iets’”zegt Willem Jan Otten hierover het volgende: “Misschien bestaat er dus ‘iets’, dat zegt dat bestaan beter is dan niet bestaan. Ik ben steeds sterker gaan beseffen dat dit ‘iets’ precies dat is wat ik zelf niet heb bedacht. Ik ervaar de hand die me van de onverschilligheid wegtrekt, van het ‘alles is om het even, dus ook mijn bestaan’, als ‘niet mijn eigen werk’” en verder “Het komt erop neer dat als ik mijn vermoeden dat ‘iets’ mij van niets weerhoudt ga doordenken, ik onherroepelijk zal uitkomen bij een Wil die ik zelf niet ben”. Het desbetreffende essay handelt eigenlijk over het geloof. Ik ben binnen het bestek van dit opstel niet op zoek naar het bestaan van een God. Het gaat er hier om te kijken naar de manier waarop de dichter omgaat met een kennelijk onbegrensde vrijheid, maar dat hij daarbij kennelijk ook een kracht ondervindt, die hem beperkt en waaraan hij gehoor geeft, of – anders gezegd – gehoorzaam is.

Otten zegt dat je als mens gehoorzaam bent aan zo’n waarschijnlijk externe kracht of wil (die hij zelfs met een hoofdletter schrijft). En dat is ook hetgeen ik zie bij het gedicht van Komrij en dat van Kopland. De wandelaar wordt gedreven naar een verlangen van het iets dat er buiten hem is.

Deze constatering roept aan de ene kant onrust op omdat met dit besef de vrijheid, die toch het grote ideaal is, beperkt wordt. Het gaat rechtstreeks in tegen de moderne idee dat men in zijn gedachten en uitingen volledig vrij moet kunnen zijn en dat de mens alleen hieraan betekenis kan ontlenen. Hij heeft de opdracht deze ruimte volledig te benutten en in te nemen. Hij kan pas tot ontplooiing komen als hij weet hoe hij deze ruimte moet gebruiken.

Aan de andere kant is het ook een geruststellende gedachte. Kennelijk is er een ankerpunt in het ultieme. Ik bedoel hiermee dat ratio kennelijk toch niet grenzeloos is; een wil, waaraan we onbewust gehoorzamen, maakt deel uit van diezelfde ratio. Otten zegt dat het juist die wil is, die ons weerhoudt van totale onverschilligheid en als dat zo is, dan kan het niet anders zijn dat dit redelijk is (conform de rede).


“WILSKRACHT.

Moed. Vastberadenheid.
Hoe vaak ons voorgehouden, tot in
den treure, tot diepe treurnis voorgehouden
tot angstzweet spijt naar binnen slaat
nagels naar binnen groeien, het ik
dat in ons is doet samenkrimpen,
wij onszelf een kat in de zak.

Terwijl rondom ons toch geen
wilskracht, vastberadenheid de
hyacinten uit de bol lokt,
het hoofd rust geeft op het kussen
het lichaam aan de pijn geeft
als het moet. Wacht of het overgaat.
Arme oude wilskracht, moed, vastbera”

Judith Herzberg

Herzberg geeft in dit gedicht het dilemma aan van de wil, die zowel bestaat uit de mogelijke grens van de mens als uit gebeurtenissen waarbij de wil geen enkele rol is toebedeeld. Vitaliteit, die zijn oorsprong heeft in de mens-zelf heeft zijn grenzen. Er zijn beperkingen. En hoe zit het met die gebeurtenissen, waarbij de eigen wil niet aan te pas lijkt te komen? Is dat ook die “iets-dat-buiten-mij-is”-wil?

CRITERIA

Hoe het ook zij, het is vaak juist wel deze puzzel die de spanning oproept. Ik heb het hier dan over gedichten. Het lijkt erop dat de dichter alle ruimte moet nemen en dat tegelijkertijd de beperkingen die hij ondervindt (of waaraan hij gehoor moet geven) het gedicht intrigerend vitaal maken. Dat is een van de trefpunten van de rede en op deze confrontatie slaat het bij de lezer naar binnen; het is het organisme dat vervoering tot stand brengt. Het is de serene beweging.

Er zijn mij velen voorgegaan in pogingen de kracht van poëzie te verklaren. Ik heb zelf ook niet de illusie dat ik binnen het bestek van één of misschien wel meerdere opstellen het wezen van de poëzie kan ontleden. Daarvoor is het te veelzijdig, te rijk. Komrij heeft in zijn boek “Trou Moet Blycken” een opsomming gegeven van eigenschappen van slechte poëzie. Hij ruimt zelfs kostbare plaats in voor de voorbeelden. Eigenlijk geeft hij aan wat niet tot poëzie gerekend kan worden. Hij zegt het volgende: “Bombast in de eerste plaats, holle en ronkende taal. Het speculeren op de welwillendheid van de lezer, door het gedicht in dienst te stellen van een goed doel of een nobel ideaal. Door te rekenen op de sentimentaliteit en de tranen van de lezer. Een belerende toon, met een impliciete moraal of – liever – een moraal van dik-hout-zaagt-men-planken. Vaak ook lijkt de dichter op de rand van de gekte te balanceren en de grenzen van zowel zichzelf als zijn onderwerp niet te kennen. Epigonisme, zonder het voorbeeld te begrijpen of zonder zich van het voorbeeld bewust te lijken. De ongewilde humor, ten slotte, vormt een belangrijk aspect. En vaderlandsliefde, ontaardend in oorlogszuchtigheid”.

Wat hij eigenlijk zegt is, veronderstel dat er een totale verzameling gedichten bestaat als – noem het maar – poëtische werkelijkheid. Deze verzameling voldoet aan een aantal criteria. Hoeveel en welke criteria dat zijn, is op voorhand niet te zeggen. Wat hij wél doet, is criteria benoemen voor slechte poëzie of non-poëzie. “Er zijn vaak pogingen ondernomen om uit te leggen wat poëzie is. De uitleg van wat poëzie niet is behoort ook tot zo’n soort poging. Een aftreksom om de grens te bepalen van wat nog opgeteld kan worden”. Je maakt de totale poëtische werkelijkheid kleiner, hoewel dan nog niet te zeggen is hoeveel er dan overblijft. Door de negatief gemarkeerde gedichten af te scheiden (te benoemen, bepalen en kwantificeren) blijven de positief gemarkeerde over. Het probleem blijft dat deze verzameling ook nog steeds moeilijk te kwalificeren is. Het is in feite onmogelijk. Je kunt alleen een aantal aspecten ervan nemen en die onder het licht houden. Ik doe dat met een ervan: de schijnbare tegenstelling tussen de drang tot het veroveren van de ruimte en de gehoorzaamheid aan een kennelijke wil buiten de dichter.

Indien men kijkt naar de kwalificaties, die Komrij heeft gegeven aan de non-poëzie, lijkt het erop dat bij deze gedichten de drang om de ruimte te veroveren, is losgeslagen. Men is er holderdebolder doorheen getuimeld. Het lijkt er ook op dat men ook geen gehoor heeft gegeven aan die externe wil, dat mystieke “iets”, dat iemand weerhoudt van volledige onverschilligheid.

KRACHTEN

Ik heb nog een gedicht van Kopland.

“VOORT

I

Van eiland naar eiland, steeds
kleiner en kaler, over steeds
ruimer en wijder water, tot
in de laatste baai
zich het uitzicht volledig
en eindelijk opent.

In deze volmaakt onverschillige wereld
de zeilen strijken”.

Rutger Kopland

In dit gedicht verwoordt Kopland zowel de drang tot het zoeken in de ruimte en de beperking, waarbij men in (volledige) onverschilligheid de tocht eindigt. Eigenlijk: wil eindigen.

De mens is gedwongen gehoor te geven aan de puls tot het ontdekken, het zoeken. Dat is het lot van het bewustzijn van de dood. Daar is niks aan te doen; we zijn verdreven uit de natuur, die volledig onderworpen lijkt te zijn aan die externe wil. Zoals Judith Herzberg zegt:

“Terwijl rondom ons toch geen
wilskracht, vastberadenheid de
hyacinten uit de bol lokt,”

We zijn veroordeeld tot het zoeken van de ruimte; dat is de prijs van het “weten” en de realisatie van de vrijheid. Het drijft ons voort. En dat lijkt het beginsel te zijn van de ratio, althans in onze tijd.

Daarnaast voelen we ook de druk gehoorzaam te zijn aan die externe wil, die ons kennelijk niet de volledige en ultieme ratio gunt. Het is het resterende deel in onszelf dat ons nog bindt aan de “onwetende” natuur. Hierdoor worden we weerhouden van de ultieme onverschilligheid en dat betekent dat we moeten voldoen aan de roep betrokken te blijven. Dit lijkt op een externe kracht, het iets buiten onszelf.

Beide krachten – een uit onszelf en een die buiten onszelf ligt – zijn te vergelijken met driften. We liggen op een stroom die onvermijdelijk naar het einde loopt. We weten dat ook. We worden weerhouden ons over te geven aan het gemak of comfort van de drift, maar dat niet alleen: we dwingen onszelf de stroom in al zijn hoedanigheden te verkennen: zijn breedte, diepte en zijn stroomsnelheid zelf.

In feite kun je zeggen dat die krachten niet tegengesteld zijn. Ze vullen elkaar aan. De betekenis ervan ervaren we juist in de beweging die ze veroorzaken. Niet ons bestaan op zichzelf (als statisch fenomeen) is de kern ervan, maar juist de dynamiek is oorzaak van de vitaliteit die we ervaren. Deze dynamiek is “het worden” als existentieel beginsel en dat bestaat dus zowel uit de eigen wil de volledige ruimte te onderzoeken en te benutten, maar ook – tegelijkertijd – uit verzet tegen onverschilligheid, een kracht die “iets is buiten mij”. Deze dynamiek ervaren we bij de poëzie, die we de goede plegen te noemen.

“VOOR WAT HOORT WAT

Een kind vraagt nooit
waarom, waartoe het toch
op aarde werd geworpen

Daarom en niet omdat
het hulpeloos zou zijn
verzorgen wij het trouw

vereren het als god. T
ot het de dood ontdekt
en een der onzen wordt”.

J. Eijkelboom

vrijdag 8 oktober 2010

Verkwist

Wij zijn de vals verklaarde daders
maar in ons brandt de nautische
extase. Westwaarts gaan we,
willen daar de punten met elkaar
verbinden en wat er achterligt
–veroverd – één voor één
de namen geven van beschaving.
We hebben kaperzielen en met
de koers, de waarheid en de wil,
de onverschrokken waan van moed,
komt ons gelijk dat onder wolken
zeilend deze aarde toch wel rond is,
de horizon slechts schootsveld.

We zijn de prijs, prijsvechter tegelijkertijd
en halen roem, verderf en het fortuin
dat voor het grijpen ligt.

De oceanen, baaien en rivieren
die door bergen lopen zijn
de continenten toebedeeld
en rijzen de coulissen waar de
kanonniers hun stukken stellen.

Er worden tribunalen ingericht
voor het verleden, verdicten
uitgesproken over
niemandswater, niemandsland.
Wij zijn de filibusters, beladen
en verguisd met troebele verwijten
gedrenkt in woede en in schaamte
terwijl we hun de wereld geven.

zondag 19 september 2010

Niets vanzelfsprekend

(wie zou – vanzelfsprekend – zo’n gedicht willen
ontvangen om uit te delen, te vernietigen of te koesteren)?

Ik krijg je niet.
De woorden van verrukking
blijven achter
terwijl je op je tenen voor me staat,
aanhaalt en je uitrekt in
een nuchter groeten,
vluchtig strijkt en mijn geuren
in je ophaalt.

Lach maar, sleur me mee.
Spreid me rond de fraaie lijnen
van verhalen, die je voor je houdt,
en die ontsnappen aan de fijn
gezeefde geest, bedachtzaamheid
waarin verlokking welt in
veel te lang gebruikte woorden,
die verlaten zijn, fantoompijn
van behagen, dralend in de fantasie.

Zoals je rode schoenen past,
rozetten op de hakken,
arabesken langs de wreef en
die me volgen, volg
dan ik je stappen, luister naar de tred.
Chocola en sinaasappel, druif.
Daarin schuil ik met verstomming,
dwaas bedeesd.

Je draait je om en showt,
terwijl ik naar mijn handen zoek en
jij je uitstrekt voor me, dwaal ik,
vind ik handen die je kunnen strelen,
armen om te reiken,
huid voor huiver met de lippen op te halen.

zondag 22 augustus 2010

Cuba, een nieuw begin

Eind 2009 ondernamen twee mannen uit Bonaire een buitengewoon opmerkelijke tocht. Gedurende 50 dagen zijn zij te voet of met plaatselijk vervoer over Cuba getrokken. Op deze manier kwamen ze dagelijks heel eenvoudig in contact met de plaatselijke bevolking. Michiel Bijkerk en Cirilo Batista Vazquez wilden het dagdagelijkse leven op een bijzonder eiland ervaren. Ze wilden ook in gesprek komen met de mensen op straat. In het boek - “Cuba, a New Beginning” of in het Spaans “Cuba, un Nuevo Comienzo” – dat ze daarover schreven, is dit avontuur te lezen. U kan het gratis downloaden bij www.arcocarib.com .

Het motief voor deze tocht berust op het volgende:
• Het Caribische gebied is momenteel enorm in ontwikkeling. Dit heeft te maken met de politieke, sociaaleconomische en ecologische situatie in het gebied. Cuba is het eiland met een sleutelrol in het gebied en de politieke situatie is sinds de ziekte van Castro aan het veranderen.
• Het Caribische gebied speelt een sleutelrol bij de uitwisseling van mensen, goederen, diensten en kapitaal tussen Europa, Noord- en Zuid-Amerika en Afrika. Het is het scharnierpunt in de globalisering in dit deel van de wereld en het kan uitgroeien tot een knooppunt van wereldwijde dynamiek op heel diverse terreinen (niet alleen economisch). In feite heeft het deze functie al eeuwenlang, maar tot nu toe was deze beweging voornamelijk eurocentrisch van aard. Dat zwaartepunt verschuift langzaamaan.
• Naast het kapitalisme en het socialisme is er een derde weg voor ontwikkeling. Dat is het solidarisme. Bij het kapitalisme gaat het om de vrijheid (en het bijbehorend ongebreideld opportunisme). Bij het socialisme gaat het om de gelijkheid (met de bijbehorende verstikkende gelijkschakeling). Solidarisme is – zoals Bijkerk het ook uitdrukt – de derde belofte van de Franse revolutie. Dit idee vormt de basis voor een volledig nieuwe economische orde, die een grote invloed zal hebben op de organisatie van het maatschappelijk leven.

Bij dit zeer bijzonder verhaal met een boodschap zet ik nog een aantal persoonlijke kanttekeningen:

• Michiel Bijkerk is (door een ziekte) beperkt, waardoor hij moeilijk kan lopen en niet goed kan zien. Deze onderneming is daardoor des te opmerkelijk.
• Ik heb Michiel leren kennen via mijn eerste boek “De Caribische eilanden, het alternatief”, waarvoor hij me uitnodigde om een tweetal lezingen op Aruba en Bonaire te houden in augustus 2009. In dit boek zijn ideeën neergelegd die deels parallel lopen met de gedachten van Michiel. Deze overeenkomst is niet bewust tot stand gekomen. Ik heb pas van zijn ideeën gehoord toen mijn boek al uit was.
• “Cuba, a New Beginning” heeft ook een sterk spirituele onderlaag. Vooral in Nederland zijn we dit niet meer gewend. Het idee van de derde weg, het solidarisme of – zoals het ook wel wordt genoemd – de binaire economie kan ook heel goed begrepen worden zonder die spirituele onderlaag. Ikzelf ben niet gelovig en ik heb heel weinig affiniteit met spiritualiteit. Toch kan ik – vanuit mijn eigen perceptie van de rede – achter het idee staan van het solidarisme.

Nogmaals: het boek is gratis te downloaden van www.arcocarib.com . U vindt daar tevens een online magazine in vier talen met diverse inspirerende artikelen over maatschappelijke aangelegenheden in het Caribische gebied en (nog) de eilanden van de Nederlandse Antillen en Aruba.

donderdag 19 augustus 2010

De overdenking

Hij verwerkt de tijd
op kladblokvellen,
deelt de ruimte in
naar vragen die uit
armaturen tuimelen.

Hij formuleert gewelven,
suggesties voor de ranke charme
die als ramen, glas in lood
gebonden,
kleurgestalten spannen.

Alles blijft secuur gekromd:
tijd, ruimte en het licht.