vrijdag 6 maart 2009

De Caribische eilanden: het alternatief. Het onderscheid tussen een voortdurend uitgesteld leven en zelfverwerkelijking


Free Musketeers, mijn uitgever heeft het volgende bericht uitgebracht: Met trots melden wij u dat begin maart de eerste exemplaren van De Caribische eilanden: het alternatief, geschreven door Willem van Lit, van de drukpersen rollen.

"Wanneer zul je leven, als je nu niet leeft?" schreef de Antilliaanse publicist Tip Marugg. Dit is het dilemma van een voortdurend uitgesteld leven, een toestand waarin de Nederlands-Caribische eilanden eeuwenlang verkeren. De noodzaak tot het maken van een keuze wordt elke dag dringender. Dit boek is een voorstel tot zelfverwerkelijking. De eilanden zijn in de toekomst een ontmoetingsplaats voor het gehele gebied en het Zuid-Amerikaanse continent. Zij vormen een strategisch gelegen voorhuis tussen de continenten in de Atlantische hemisfeer.

Wij kunnen u het circa 180 pagina's tellende De Caribische eilanden: het alternatief aanbieden voor de prijs van € 17,95 (exclusief verzendkosten).
Wilt u het boek bestellen? Dat kan. Binnen onze webwinkel is er een speciale pagina voor. Daar wijst alles zich vanzelf. Zodra wij uw betaling ontvangen hebben, voegen we uw bestelling toe aan onze lijst en sturen we u uw exemplaar toe.

Ga naar: www.freemusketeers.nl of bestel via de auteur bij dit blog. U kunt ook in de boekwinkel terecht.



De Caribische eilanden: het alternatief, Willem van Lit
ISBN 978-90-484-0572-5
vaste prijs € 17,95
verzendkosten per exemplaar € 3,20 (NL) € 5,44 (EU)

vrijdag 20 februari 2009

het spookschip

Met een schaduw bleker dan
het vuile licht breekt zij
het water, ploft haar botte
steven diep en bokkend in
de toppen van de grauwe
woestenij. Ze verheft haar
romp en toont schaamteloos
de pokken aan de myriaden

schimmen die over 't spat-
schuim zwermen, steeds op
zoek naar schaduw die er op
de zee niet is. In de lucht zijn
vlokken van gemarmerd lood;
de wind vernevelt aan de
top de golven en maakt van
druppels spijkers ijs.

Hij jaagt ze over 't dek en
door het want. Het schip,
verzwaard door ijs gaat
topzwaar in een immer
trager slingerzwaai. Het
vuur in het kombuis is jaren
her gedoofd; geschutspoorten
op het hoofddek staan geopend

en zij staren met de holle
trompen van kanons de
leegte in. Waar zijn de maats?
Van ra's en stagen klapperen
flarden zeil; ze voert geen
vlag, geen licht op 't hek of
in de top. Nog steeds wordt
elk half uur het glas gedraaid

en klinkt de bel door het
geraas. Ze kleppert luid en
helder alle wachten rond:
voormiddagwacht, acht glazen
op het hoge uur; de achtermiddag
steeds dezelfde koers, op platvoet
en de eerste wacht en immer
staat de kapitein geschoeid

aan 't schip, op de hondenwacht
nog steeds op post, de dagwacht
door, niet afgelost. Hij houdt
geblokt in wrok zijn oog, zijn
bleke blik gericht op de roer-
gangers rug, die aan het rad
geketend vanaf 't kompas de
koers behoudt, de oude koers,

die nooit, in eeuwen niet op kust
of ree is uitgezet. Soms duikt
zij op in zwarte mist uit zee,
die tijd ontkent. Men ziet haar
stille doem, de vinger angst
die wijst. Men hoort alleen haar
bel, die luidt: een bodem voor
uw anker vindt u nu niet meer.

woensdag 21 januari 2009

De reis

We leefden terloops en te snel; ‘t verleden was keurig gevormd,
in schoven gerold en verbonden als bijzaak terzijde gesteld.
We werden eenvoudig te dulden, ‘t vergane verschot op het veld,
in achteloos rondgaan verloren we aandacht in fijn arabesk;
vertelden ons vluchtig verhalen als franje, als waarloze rest.

We komen van ver met het trotse gemoed en ontspannen;
de jaren voorheen zijn bewerkt als de perken in parken
behoedzaam geordend, omzoomd en voorzichtig te wieden.
Wat is er verloren; in twijfel, waar zoeken we naar?
De weerga van geest is beduimeld, bedompt en ontkracht.

Van het werk dat we deden, werd niets meer bewaard of gered.
We bewogen ons voort met een kreupel gemak; dat is nu
verdwenen, gewist uit het landschap, patronen zo stil,
uit mistige luimen gewrocht: de schaduwen draaien
hun rondte, de dagelijkse gang uit het zicht van de zon.

De voortgang die ligt in de vlakte gestrekt als de sfinx die bewaakt.
Hij blijft het geduld voor de toekomst ook roerloos bewaren.
Kom, kijk hem maar aan; hij beduidt ons de plek waar te zoeken.
Voel er de wind in het eeuwige peinzen de ochtend verwarmen:
hoe stel je de woorden hun ziel, de regen die sporen vergiet?

We liepen zo lang en te ver en we reisden langs wouden
en striemende zeeën met golven en geuren in wachten vervloeid.
Herinnering dreef ons steeds voort en we roken herkenbaar vanille
zo zwaar en zo traag, citroen op de vleugen nog scherp,
lavendel te bitter en schimmels in ’t muffe, ach, zoet.

De wolken bedrijven ons rusteloos streven, omhulsel van dwalen
van zenit tot landschap, rivieren daaronder op spiegels van linten
in ’t jachtige water dat krimpt en dat wast in het gloeiende oog van
de zon die de korsten doet barsten in bedding van kiezel en klei.
Het land is gespannen in lijnen, de marges in fijn arabesk.

De vogels verspreiden in wanorde tekens in ‘t blauw;
we zien hen verwaaien met krijsen in al onze vragen ten vlucht.
Ze schrijven te snel voor begrip met zwarte penselen onleesbaar
karakters, want zo is de drang om te zwerven, de verten te kennen,
nog verder te vliegen en weg naar het ijle waar onrust ontsnapt.

We zijn in de tred van de dagen nalatig, verspillen gedachten
om netheid, ‘t in daden geperste vermogen voor morgen, voor straks.
We spietsen de uren in schema’s, het heden dat rauw is en nijpt,
de plannen geklonken in ‘t harnas van vlijt; we beleggen de beelden
en schuiven terzijde op ‘t ritme van wil, in willoze nijd.

(4 september 2008)