Een beschouwing door Willem van Lit
Late Ogentroost
Gedichtenbundel met reproducties van schilderijen en afbeeldingen van plastieken.
Gedichten van Lisette Waterschoot en afbeeldingen van Nies van Steendam.
Uitgeverij: ’t Oneindige Verhaal, St. Niklaas, 2008.
De gedichtenbundel bestaat uit vijf delen: redenen om te verdwijnen, vrouwen, plekken om te blijven, drankjes en gedichten. Behalve bij het deel drankjes dragen de gedichten in de overgrote meerderheid namen van planten, in de meeste gevallen veldbloemen of kruiden die in onze contreien in berm en op braakliggende begroeide terreinen terug te vinden zijn.
De afbeeldingen zijn reproducties van schilderijen of van plastieken. Ze zijn in een vast patroon aangebracht: de afbeeldingen staan steeds op de linkerpagina, de gedichten rechts. Deze regelmaat is illustratief voor de prachtige eenvoud van de vormgeving. De uitgave is met enorm veel zorg en gevoel voor samenhang in verhoudingen en uitvoering vorm gegeven. De bundel is gebonden en voorzien van een harde glanskaft met op de omslag twee typische afbeeldingen van Steendam, die ook in de bundel zijn terug te vinden. De vijf delen in de bundel zijn van elkaar gescheiden door titelbladen, die aan de rechterkant van de geopende bladspiegel staan met links een effen signaalrode pagina, dat als fel schutblad contrasteert.
De titel verwijst ook naar een plant. Ogentroost (Euphrasia) is een zogenaamd halfparasiete plant, die voor zijn groei en bloei gebruikt maakt van stengels en wortels van o.a. gras. Extracten van de plant worden – zoals de naam doet vermoeden – gebruikt ter verlichting van pijnlijke of vermoeide ogen. Ik weet niet of de planten (zoals Zachte Ooievaarsbek, Rode Ganzenvoet of Gewone Smeerwortel) die onder andere voor een deel van de gedichten in de bundel als naam zijn gebruikt ook een geneeskundige of heilzame toepassing hebben. Een aantal van de drankjes (Oude Klare, Blue Curaçao of Advocaat) zal dat voor sommigen van ons mogelijk wel hebben. De titel luidt: “Late Ogentroost”. Mogelijk is dat een ondersoort van deze plantenfamilie, maar dat is nogal specifiek voor een gedichtenbundel. Het kan ook suggereren dat de toepassing van Ogentroost laat is, waardoor het duidt op een laat effect van de heilzame werking.
De flaptekst zegt dat er in de bundel een “versmelting” plaats heeft gevonden “tussen twee gelijkgestemde zielen” en dat “intuïtie en aanvoelen een bepalende rol spelen tussen de schilderes en de dichteres”. Om daarvan iets te kunnen zeggen, moet men de bundel in deze samenhang bezien. Het is moeilijk deze twee-eenheid te bespreken als men geen zicht heeft op de schilderijen van Steendam. Ik zal echter een poging wagen hiervan allereerst een beschrijving te geven.
De schilderijen hebben een figuratief-expressionistische vormgeving. Het betreft veelal vrouwenfiguren soms in combinatie met vormen van vogels. Alle figuren hebben met nadrukkelijk zwarte lijnen hun contouren gekregen. Sommige menselijke figuren hebben vleugels gekregen of pluimen, zodat mens en vogel ineen lijken te vallen. De schilderes gebruikt veel rood (dikwijls felrood), zwart, geel of felgroen met blauw om accenten aan te geven. De contrasten in de kleurstelling zijn groot, heel specifiek en ze lijken spontaan op het doek te zijn gebracht. De menselijke figuren zijn dikwijls naakten, waarbij gezichten en lichaamsdelen uitdrukkelijk zijn geschilderd: ledematen, lippen, neuzen, borsten maar ook toont Steendam in verschillende schilderingen grote rode harten. Ogen zijn zeer sprekend nadrukkelijk aanwezig. In sommige scènes heeft zij twee figuren geschilderd, die elkaar aankijken, omhelzen of in een lijfelijke pose elkaar vasthouden. Ze zijn in elkaar verstrengeld, lijken elkaar te troosten of ze zijn in zekere extase met elkaar verbonden zonder heel expliciet te worden. Ook gebruikt Steendam boom- of struikbladeren in felle contrasten bij of op de lichamen. Volgens de flaptekst zijn het afbeeldingen die “je op een zeer directe manier aanspreken”. De focus is gericht op de uitdrukkingen van de lichamen, zowel de menselijke als de vogelfiguren, expliciet en onbevangen.
Op de as van de schilderijen en de gedichten zitten verschillende punten waar de essenties van de vorm en inhoud zijn gehecht. In sommige gevallen zijn dat tegenstellingen, in andere gevallen zijn het dimensies die elkaar juist aanvullen. In feite zijn de vormen en thema’s verdeeld in vijf tegenover elkaar liggende gebieden: de eerste twee hoeken zijn de vormen van de schilderijen en de taal. Beide vullen elkaar aan. De taal die Waterschoot gebruikt, is sober, nuchter en direct. Veel zinnen bestaan uit slechts enkele woorden. De regels staan in een vrije vorm zonder veel poespas geformuleerd. Eenvoud en klaarheid in de woorden zijn de spiegelbeelden van de schilderijen van Steendam.
Drie andere hoeken van dit pentagon hebben betrekking op de inhoud, die in feite qua intensiteit contrasteren met de eenvoud van de vormgeving. Het zijn (in de meeste gevallen de) verwijzingen naar planten of drankjes, die een verbinding vormen met de intense lijfelijkheid van de inhoud van de gedichten in samenhang met het klare bewustzijn van de vrouwelijkheid. Op die driehoek speelt de inhoud van de gedichten zich af en die komt in feite ook overeen met de inhoud van de schilderijen.
“vogeltje-op-de-kruk
Een en al sluier ben ik
over zijn volumineus ontworpen lijf
dat onbescheiden is.
Drie lagen bij elkaar gegooid:
Een hoofd met zes etages
(die ik om beurt bewoon).
De romp zonder beperkingen.
Ledematen die overschatten wat hij is.
Ik flirt. Wil mij als design
dat ik leefbaar op hem leg.
Hij bewaart mijn gestes in zijn aardse laden.
Als ik de buffetkast afstof
voel ik hoe hij rilt”.
In dit gedicht komen de genoemde elementen terug. Het vogeltje-op-de-kruk is een kleine plant die in het voorjaar uitbundig kan bloeien. Het gedicht is in feite ál lijfelijkheid, dat op een sensuele kracht in eenvoudige zinnen zijn inhoud krijgt. De dichteres ontspint een spel van behagen tegenover de man.
Het thema van het lijfelijke bewustzijn komt in sommige gedichten op opgewekte – soms zelfs bruisende – toon en vrolijk terug, dan is ze weer bevallig of zoekt ze innig behagen, maar ook wil de dichteres de rust en de geborgenheid benadrukken; de liefde die zij wil vieren. Vergelijk onder andere de passages in de volgende gedichten.
Uit: “Lepel advocaat”
(…)
‘Neem mij.
Duw me tot de rand.
Spaar wat ik verkwist.
Bemin de droogte van
de oeverloze stroom.
En weet:
dit is dit’”.
De geborgenheid zit bij Waterschoot dikwijls in het water en de duisternis; het licht brengt verwarring.
Uit: “Juffertje in ‘t groen”
“In dit en vorig huis
met meer dan vier hoeken
in bekende en onbekende kamers
met meer dan drie afmetingen
woont een vissenkind.
Elke avond tovert ze de muren waterdicht
zet alle kranen open
(…)
trekt bij zonsopgang de vloed weer weg”.
Tegenover overgave staat ook passie en dit tekent ze met woorden soms tot in detail, zoals
Uit: “Egelskop”
“(…)
Haartjes trillen op mijn arm.
Vingers knikken in elk lid.
En mijn pols, mijn pols ligt bovenop
de rand”.
Een strenge vorm en strak metrum ontbreken. Het zijn vormvrije verzen. Toch oogt het in de nuchtere en directe stijl van taalgebruik en de consequente indeling van afbeelding en gedicht streng met een afgemeten ritme in de opeenvolging. In zichzelf zijn de gedichten tevens op intuïtie geschreven met de voor mij opmerkelijke verbinding tussen plant of drankje en de passie of de geborgenheid van de betekenissen. En juist hier krijg je als lezer een associatie van de frêle duiding; je ervaart de kwetsbaarheid van de vaak onbeduidende planten in een draaiing tot de inhoud van de gedichten: het lijfelijke, de rust, de zoektocht naar bevalligheid of juist het bruisende van de opwinding. Toch verbonden en geworteld in een vaste bodem, die geduld uitdrukt.
Uit: “Slaapmutsje”
(…)
Kleuren die ik heftig uitstrijk over dagen
om ze zacht te maken.
Ik neurie
Toon elke herinnering in de gratie van een lichaam
Dat ik betast, bekras met nagels, rimpels, bulten
Gevuld met mededogen”.
Hoe staat dit “ik neurie” tussen deze strofen in: als scheidsrechter bijna, strak en klaar een rustpunt om het humeur scherp te laten zien. Het getuigt van soberheid, maar het verbindt de daden uit de twee strofen: het heftig uitstrijken in opgewekte stemming met de gratie die de dichteres wil laten zien, tot in het bultige en lelijke van het lijf, dat mededogen verdient.
Het is een bundel voor een ontdekkingstocht in het landschap van rust, vrouwelijke energie, verliefdheid, geborgenheid en het is een reflectie op kordate gewaarwording van de wil bijzonder te zijn: in woord en beeld.
De bundel is te verkrijgen via:
Boekhandel ‘t Oneindige Verhaal
Stationsstraat 68
St. Niklaas
België
vrijdag 18 juni 2010
zaterdag 22 mei 2010
vrijdag 21 mei 2010
‘Atlantisch rendez-vous, verhalen uit de Kraalzee’ is zojuist uitgekomen.
“De Antilliaanse regering zal de herstructurering van het gehele Koninkrijk der Antilliaanse Nederlanden voortvarend ter hand nemen”
Lommel, 21 mei 2010. Uitgeverij Free Musketeers presenteert met trots het tweede boek van Willem van Lit, de gebundelde weekboekafleveringen “Atlantisch rendez-vous, verhalen uit de Kraalzee”.
Willem van Lit stelt in een aflevering van zijn weekboek voor dat de herstructurering van het Koninkrijk der Antilliaanse Nederlanden door de Antilliaanse regering geregeld wordt. Willemstad Curaçao vindt naar Caribische vorm en norm de volgende maatregelen noodzakelijk. “Binnen het Koninkrijk moeten we naast de versterking van justitie nog heel snel drie dingen doen en dat zijn:
1. we richten een extra ministerie op voor Nederlandse Zaken;
2. we bieden de Nederlanders het volwaardige Antilliaanse staatsburgerschap aan;
3. we zullen de Antilliaanse gulden als koninkrijksmunt invoeren”.
Voorts suggereert hij onder andere dat het IJmondgebied bestuurlijk ondergebracht kan worden bij Aruba of Bonaire. Hierbij zou Nederland enige zekerheid krijgen dat het overeind blijft in het Europese geweld.
Zo vat de auteur de beleidsrelatie samen van de Caribische eilanden met Nederland. In omgekeerde zin nu maar eens. Klinkt dit onverdraaglijk? Lees hierover in zijn nieuwe bundel. Er is nog meer te genieten. En hij lijkt te zeggen dat er haast bij is; immers het Koninkrijk der Nederlanden gaat binnenkort echt op de schop.
In de periode van juni 2003 tot juni 2006 beschreef Willem van Lit in 158 weken zijn observaties over eilanden in de Caribische zee, ook wel Kraalzee genoemd. Hij heeft deze afleveringen eerder op internet gepubliceerd bij het toen befaamde Schrijfnet. Lezers van zijn weekboek stimuleerden hem deze afleveringen te bundelen en uit te geven.
Het weekboek is meer dan een kroniek van gebeurtenissen. Van Lit wilde niet zo maar anekdotisch schrijven. Hij zocht naar diepgang en reliëf. Hij speurde constant naar contrasten en achtergronden bij de oppervlakkige verschijnselen en waarnemingen. “Ik probeerde achter de vluchtigheid van de verschijnselen continuïteit te ontdekken, een substantie van gedurige waarde. Dit lukte ook wel voor een deel, maar hierbij ontdekte ik dat het verval of de afbraak van die structuren net zo boeiend kon zijn”. Hij wisselt humor af met ergernis, verwondering, speelsheid, verdriet, trots en peinzend sentiment. Maar altijd gaat het om passie en grote betrokkenheid, die in deze bundel de hoofdmotieven zijn. Het boek is tevens verluchtigd geïllustreerd met 28 kleurenfoto’s.
Bij Free Musketeers is van dezelfde auteur in maart 2009 zijn eerste boek gepubliceerd: “De Caribische eilanden, het alternatief”.
Prijs: € 24,95
ISBN: 978-90-484-1268-6
Te verkrijgen via elke boekhandel, maar ook via online boekverkopers:
www.bruna.nl
www.ako.nl
en vanaf dinsdag 25 mei via www.bol.com
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de auteur W.A. van Lit, Lommel (België).
wavanlit@hotmail.com
Lommel, 21 mei 2010. Uitgeverij Free Musketeers presenteert met trots het tweede boek van Willem van Lit, de gebundelde weekboekafleveringen “Atlantisch rendez-vous, verhalen uit de Kraalzee”.
Willem van Lit stelt in een aflevering van zijn weekboek voor dat de herstructurering van het Koninkrijk der Antilliaanse Nederlanden door de Antilliaanse regering geregeld wordt. Willemstad Curaçao vindt naar Caribische vorm en norm de volgende maatregelen noodzakelijk. “Binnen het Koninkrijk moeten we naast de versterking van justitie nog heel snel drie dingen doen en dat zijn:
1. we richten een extra ministerie op voor Nederlandse Zaken;
2. we bieden de Nederlanders het volwaardige Antilliaanse staatsburgerschap aan;
3. we zullen de Antilliaanse gulden als koninkrijksmunt invoeren”.
Voorts suggereert hij onder andere dat het IJmondgebied bestuurlijk ondergebracht kan worden bij Aruba of Bonaire. Hierbij zou Nederland enige zekerheid krijgen dat het overeind blijft in het Europese geweld.
Zo vat de auteur de beleidsrelatie samen van de Caribische eilanden met Nederland. In omgekeerde zin nu maar eens. Klinkt dit onverdraaglijk? Lees hierover in zijn nieuwe bundel. Er is nog meer te genieten. En hij lijkt te zeggen dat er haast bij is; immers het Koninkrijk der Nederlanden gaat binnenkort echt op de schop.
In de periode van juni 2003 tot juni 2006 beschreef Willem van Lit in 158 weken zijn observaties over eilanden in de Caribische zee, ook wel Kraalzee genoemd. Hij heeft deze afleveringen eerder op internet gepubliceerd bij het toen befaamde Schrijfnet. Lezers van zijn weekboek stimuleerden hem deze afleveringen te bundelen en uit te geven.
Het weekboek is meer dan een kroniek van gebeurtenissen. Van Lit wilde niet zo maar anekdotisch schrijven. Hij zocht naar diepgang en reliëf. Hij speurde constant naar contrasten en achtergronden bij de oppervlakkige verschijnselen en waarnemingen. “Ik probeerde achter de vluchtigheid van de verschijnselen continuïteit te ontdekken, een substantie van gedurige waarde. Dit lukte ook wel voor een deel, maar hierbij ontdekte ik dat het verval of de afbraak van die structuren net zo boeiend kon zijn”. Hij wisselt humor af met ergernis, verwondering, speelsheid, verdriet, trots en peinzend sentiment. Maar altijd gaat het om passie en grote betrokkenheid, die in deze bundel de hoofdmotieven zijn. Het boek is tevens verluchtigd geïllustreerd met 28 kleurenfoto’s.
Bij Free Musketeers is van dezelfde auteur in maart 2009 zijn eerste boek gepubliceerd: “De Caribische eilanden, het alternatief”.
Prijs: € 24,95
ISBN: 978-90-484-1268-6
Te verkrijgen via elke boekhandel, maar ook via online boekverkopers:
www.bruna.nl
www.ako.nl
en vanaf dinsdag 25 mei via www.bol.com
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de auteur W.A. van Lit, Lommel (België).
wavanlit@hotmail.com
dinsdag 4 mei 2010
“Nomade”, reflectie over een boek van Ayaan Hirsi Ali
Een fenomenaal relaas dat iedereen zou moeten lezen.
Nomade is “(1) de benaming voor zonder vaste woonplaats rondzwervende steppebewoners, (2) iemand die een zwervend bestaan leidt”. Zo staat het in Van Dale. Het is duidelijk wat de intentie van de titel van dit boek is dat ik met een mengeling van afschuw en verwondering heb gelezen. De beklemming van ongrijpbare en overweldigende dreiging heeft ze indringend geformuleerd. Ayaan heeft in een soepele stijl verteld, zoals op de flaptekst door de Duitse krant DIE ZEIT is verwoord: “De dramatische verhandelingen van een persoonlijke revolutie”. Ayaan vertelt hoe zij die revolutie op geheel eigen wijze doormaakt, want het proces van omwenteling is nog niet voltooid.
Een steppe is een uitgestrekte vlakte slechts begroeid met gras en mos. Het is een gebied waarin landbouw niet mogelijk is. Ayaan gebruikt de steppe als metafoor op verschillende niveaus: het is het terrein waarop mensen in Somalië en andere delen van Afrika moeten leven. Het is tevens het mentale terrein waarop mensen, die de Afrikaanse steppe verlaten voor een beter leven, terecht komen als ze naar de moderne wereld komen en het is het ontzaglijke terrein waarop Ayaan zelf haar boek heeft geschreven. De steppe geeft mensen enorme leefruimte, maar het betekent niet dat er dan ook vrijheid is. Dat laatste is nu juist waar het gevecht over gaat.
“Al mijn familieleden wilden heel graag modern zijn. Ze hunkerden naar vrijheid, maar zodra ze die hadden gevonden, raakten ze erdoor in de war en gingen ze eraan ten onder”.
Een nomadenbestaan is in materieel opzicht een armoedig bestaan. Mensen zijn ten enenmale afhankelijk wat de bodem opbrengt. Er zijn geen mogelijkheden tot ontwikkeling te komen in technologische zin. Om het naakte bestaan te behouden en zichzelf te beredderen is op de steppe clanvorming noodzakelijk. Men kan doorgaans alleen overeind blijven door toepassing van geweld om de gevaren (van zowel dieren als vreemde mensen) te weerstaan. Net als op zee (het beginsel van de “mare liberum”) is op de steppe sprake van het recht van de sterkste. De steppe is van niemand en van iedereen. De clan is de enige groep die bescherming kan bieden in dit niemandsland. Uit deze situatie is een geweldscultuur ontstaan, waarbij eer, wraak en bescherming van de zwakkeren in de eigen clan centraal zijn komen te staan. Het is de logische structuur van volkeren die onder druk van deze omstandigheden moeten leven. Bescherming van de zwakkeren in de eigen clan leidt er onder andere toe dat vrouwenlevens minder waard lijken te zijn. Je kunt beter jongens hebben, omdat die “als krijger op te voeden” beter in staat zijn de clan te beschermen tegen de buitenwereld.
“We maken onze zonen.Het is het drama van de tribale moslimman en met name van de eerstgeborene: de overdreven verwachtingen, de rampzalige ijdelheid, het onzekere gevoel van eigenwaarde dat gebaseerd is op de onderdrukking van de ene groep (vrouwen) om het zelfbeeld van de andere groep in stand te houden”.
Deze cultuur wordt nog versterkt door het waardestelsel van de Islam, een van de drie wereldgodsdiensten (met het Jodendom en het Christendom)die alle hun oorsprong hebben gevonden in het Midden-Oosten. Vanuit de steppe in Afrika belanden velen in één klap op de steppe van de westerse wereld, waarin men de schok van de herwaardering van alle waarden meemaakt. En dit komt in de zelfde mate bedreigend over; men zit namelijk nog met hart en ziel aan de clancultuur geklonken.
De drie wereldgodsdiensten uit die aride contreien zijn in hun naakte vorm even rigide en inhumaan. Alle drie prenten ze de volgelingen de hoop in van een verlosser of verlossing en een hiernamaals. Dit hiernamaals zal álles compenseren en belonen, ook de pijn over ingehouden woede door structurele kleinering, gefnuikte trots en onderdrukking als prijs voor de volgzaamheid in dit leven. De ene godsdienst kweekt de hoop op verlossing op de ene manier, de andere weer anders. Geweld ligt aan de basis van elk van de drie. Het is slechts een kwestie van tijdgeest; het Christendom heeft de inquisitie bedreven, zoals de Islam de jihad praktiseert. In de Islam is de connectie met de woestijncultuur nog het sterkst voelbaar. In deze ideologie lopen woedecomplexen, mythe en clancultuur nog voelbaar door de hele fysieke en mentale uitstraling heen. Het is niet alleen een religie; de Islam geeft ook talrijke voorschriften op sociaal gebied en leefwijze, zodat er bijzondere sociologische en psychologische structuren ontstaan. Deze voorschriften, die voor het overgrote deel gebaseerd zijn op een leven in de woestijn, hebben een dwingend juridisch kader in de context van die laaiende steppes van Afrika. Bij het Jodendom en het Christendom heeft de vermenging met andere complexen zoals de Verlichting geleid tot een veel opener en tolerantere manier van samenleven.
Onlangs opperde iemand dat er juist onder niet-godsdienstige ideologieën meer mensen afgemaakt zijn en hiermee bedoelde hij het fascisme en communisme. Deze twee gewelddadige stromingen (beide ook voorkomend uit de Verlichting, maar ook verwant aan de Christelijk-Joodse cultuur) koesteren in feite dezelfde hoopmentaliteit en dezelfde woedecomplexen die zich ongericht en massaal hebben kunnen uiten, juist door hun rationele toepassing van methoden en middelen. Het was de bureaucratie van de wraak. De beschikbaarheid van de moderne technologie maakte de massaliteit van vernietiging mogelijk.
Slechts de echt rationele vervlechting van de Verlichting, waarin de dialoog en het debat als motor en energiebron worden gebruikt in samenhang met het krachtenveld waarin de contemplatieve ideologieën zich ontwikkelen, lijkt de enige hoop te vormen voor een humane samenleving. Maar de balans blijft fragiel.
Ayaan vertelt in haar boek over de quasionmogelijke opgave te ontsnappen aan de verstikkende benauwdheid van de clancultuur met de structurele onderdrukking van de vrouw in de Islam. Voor haar is er geen sprake van evenwaardige culturen.
“Een harde les die ik geleerd heb, maar die veel goedbedoelende westerlingen maar met moeite kunnen accepteren, is dat alle mensen gelijkwaardig zijn, maar dat niet alle culturen en godsdiensten gelijkwaardig zijn”.
En dat ontsnappen gaat gepaard met schrijnende schaamte (als onderdeel van het woedecomplex, dat gestold is in haat), met mededogen, diep verdriet, angst, nijpend schuldgevoel en verbijsterend ongeloof. Ayaan is perplex over onder andere de houding van westerse feministen, die het probleem van structurele onderdrukking van de eigen sekse niet willen onderkennen.
“Volgens de Koran en de sharia zijn man en vrouw niet gelijk. De vrouw is in fysiek, intellectueel, emotioneel en moreel opzicht inferieur aan de man, en de vrouw heeft dan ook minder rechten. De Koran stelt dat de vrouw de helft erft van wat een man zou erven: ‘God draagt u op ten aanzien van uw kinderen: voor de knaap zoveel als het aandeel van twee meisjes’ (4:11). Het getuigenis van de vrouw is voor de islamitische rechtbank half zoveel waard als dat van een man. Zelfs in een verkrachtingszaak geldt dat het getuigenis van het slachtoffer de helft is van dat van de dader’, enz. (pagina 191/192).
Verder zegt ze dat de westerse mens niet (meer) weet wat het betekent onvrij te zijn en wat onderdrukking en verdrukking willen zeggen.
Moslims kijken naar ons en ook naar mij als een Christen. Ik was dat ooit, maar ik ben dit intussen niet meer. Ik wil niet meer gezien worden als Christen in die traditioneel religieuze aanduiding. Ik wil en kan niet meer worden vastgepind op een dergelijke kwalificatie. De secularisatie van onze samenleving heeft massale vormen aangenomen en met mij zijn er velen die zichzelf niet meer als Christen willen zien. Zelf heb ik in mijn tienerjaren ook een periode van ontvoogding doorgemaakt, waarbij ik ontsnapte uit een benauwd katholiek kader. Ook in die besloten wereld deinsden de “goede herders” niet terug voor straf en vergelding (met zelfs nog een milde vorm van lijfstraffen) als we niet voldeden aan de eisen en de vormen die werden gesteld. Het waren de jaren 50 en 60 in Nederland en België, waarbij de clerus zeker in kleine dorpsgemeenschappen nog de toon, het ritme en de dans bepaalde.
Uiteraard staat dit in schriele verhouding tot de ultiem dwingende moslimcultuur in een clansamenleving zoals Ayaan die beschrijft, maar ik begrijp enigszins de enorme opluchting en het gevoel van bevrijding nadat je eraan ontsnapt bent. Ook in mij heeft nog lang daarna een schuldgevoel geklemd, maar ik hoef niet in de wezenloze angst te leven dat ik zal worden omgebracht omdat ik mijn geloof heb afgezworen en me van de kerk heb afgekeerd.
Het knappe en tegelijkertijd ontroerende ervan is dat Ayaan zegt zonder ressentiment terug te kijken naar die periode waarin ze haar persoonlijke revolutie heeft doorgemaakt. Ze wil de terreur van de haat en woede niet in zichzelf een voedingsbodem geven om met eeuwige wrok te blijven zitten. Dit deelt ze op eenvoudige en serene wijze mee aan haar nog ongeboren dochter in het laatste hoofdstuk.
Willem van Lit
25 april 2010
Nomade
Ayaan Hirsi Ali
Uitgeverij Augustus
Maart 2010
Nomade is “(1) de benaming voor zonder vaste woonplaats rondzwervende steppebewoners, (2) iemand die een zwervend bestaan leidt”. Zo staat het in Van Dale. Het is duidelijk wat de intentie van de titel van dit boek is dat ik met een mengeling van afschuw en verwondering heb gelezen. De beklemming van ongrijpbare en overweldigende dreiging heeft ze indringend geformuleerd. Ayaan heeft in een soepele stijl verteld, zoals op de flaptekst door de Duitse krant DIE ZEIT is verwoord: “De dramatische verhandelingen van een persoonlijke revolutie”. Ayaan vertelt hoe zij die revolutie op geheel eigen wijze doormaakt, want het proces van omwenteling is nog niet voltooid.
Een steppe is een uitgestrekte vlakte slechts begroeid met gras en mos. Het is een gebied waarin landbouw niet mogelijk is. Ayaan gebruikt de steppe als metafoor op verschillende niveaus: het is het terrein waarop mensen in Somalië en andere delen van Afrika moeten leven. Het is tevens het mentale terrein waarop mensen, die de Afrikaanse steppe verlaten voor een beter leven, terecht komen als ze naar de moderne wereld komen en het is het ontzaglijke terrein waarop Ayaan zelf haar boek heeft geschreven. De steppe geeft mensen enorme leefruimte, maar het betekent niet dat er dan ook vrijheid is. Dat laatste is nu juist waar het gevecht over gaat.
“Al mijn familieleden wilden heel graag modern zijn. Ze hunkerden naar vrijheid, maar zodra ze die hadden gevonden, raakten ze erdoor in de war en gingen ze eraan ten onder”.
Een nomadenbestaan is in materieel opzicht een armoedig bestaan. Mensen zijn ten enenmale afhankelijk wat de bodem opbrengt. Er zijn geen mogelijkheden tot ontwikkeling te komen in technologische zin. Om het naakte bestaan te behouden en zichzelf te beredderen is op de steppe clanvorming noodzakelijk. Men kan doorgaans alleen overeind blijven door toepassing van geweld om de gevaren (van zowel dieren als vreemde mensen) te weerstaan. Net als op zee (het beginsel van de “mare liberum”) is op de steppe sprake van het recht van de sterkste. De steppe is van niemand en van iedereen. De clan is de enige groep die bescherming kan bieden in dit niemandsland. Uit deze situatie is een geweldscultuur ontstaan, waarbij eer, wraak en bescherming van de zwakkeren in de eigen clan centraal zijn komen te staan. Het is de logische structuur van volkeren die onder druk van deze omstandigheden moeten leven. Bescherming van de zwakkeren in de eigen clan leidt er onder andere toe dat vrouwenlevens minder waard lijken te zijn. Je kunt beter jongens hebben, omdat die “als krijger op te voeden” beter in staat zijn de clan te beschermen tegen de buitenwereld.
“We maken onze zonen.Het is het drama van de tribale moslimman en met name van de eerstgeborene: de overdreven verwachtingen, de rampzalige ijdelheid, het onzekere gevoel van eigenwaarde dat gebaseerd is op de onderdrukking van de ene groep (vrouwen) om het zelfbeeld van de andere groep in stand te houden”.
Deze cultuur wordt nog versterkt door het waardestelsel van de Islam, een van de drie wereldgodsdiensten (met het Jodendom en het Christendom)die alle hun oorsprong hebben gevonden in het Midden-Oosten. Vanuit de steppe in Afrika belanden velen in één klap op de steppe van de westerse wereld, waarin men de schok van de herwaardering van alle waarden meemaakt. En dit komt in de zelfde mate bedreigend over; men zit namelijk nog met hart en ziel aan de clancultuur geklonken.
De drie wereldgodsdiensten uit die aride contreien zijn in hun naakte vorm even rigide en inhumaan. Alle drie prenten ze de volgelingen de hoop in van een verlosser of verlossing en een hiernamaals. Dit hiernamaals zal álles compenseren en belonen, ook de pijn over ingehouden woede door structurele kleinering, gefnuikte trots en onderdrukking als prijs voor de volgzaamheid in dit leven. De ene godsdienst kweekt de hoop op verlossing op de ene manier, de andere weer anders. Geweld ligt aan de basis van elk van de drie. Het is slechts een kwestie van tijdgeest; het Christendom heeft de inquisitie bedreven, zoals de Islam de jihad praktiseert. In de Islam is de connectie met de woestijncultuur nog het sterkst voelbaar. In deze ideologie lopen woedecomplexen, mythe en clancultuur nog voelbaar door de hele fysieke en mentale uitstraling heen. Het is niet alleen een religie; de Islam geeft ook talrijke voorschriften op sociaal gebied en leefwijze, zodat er bijzondere sociologische en psychologische structuren ontstaan. Deze voorschriften, die voor het overgrote deel gebaseerd zijn op een leven in de woestijn, hebben een dwingend juridisch kader in de context van die laaiende steppes van Afrika. Bij het Jodendom en het Christendom heeft de vermenging met andere complexen zoals de Verlichting geleid tot een veel opener en tolerantere manier van samenleven.
Onlangs opperde iemand dat er juist onder niet-godsdienstige ideologieën meer mensen afgemaakt zijn en hiermee bedoelde hij het fascisme en communisme. Deze twee gewelddadige stromingen (beide ook voorkomend uit de Verlichting, maar ook verwant aan de Christelijk-Joodse cultuur) koesteren in feite dezelfde hoopmentaliteit en dezelfde woedecomplexen die zich ongericht en massaal hebben kunnen uiten, juist door hun rationele toepassing van methoden en middelen. Het was de bureaucratie van de wraak. De beschikbaarheid van de moderne technologie maakte de massaliteit van vernietiging mogelijk.
Slechts de echt rationele vervlechting van de Verlichting, waarin de dialoog en het debat als motor en energiebron worden gebruikt in samenhang met het krachtenveld waarin de contemplatieve ideologieën zich ontwikkelen, lijkt de enige hoop te vormen voor een humane samenleving. Maar de balans blijft fragiel.
Ayaan vertelt in haar boek over de quasionmogelijke opgave te ontsnappen aan de verstikkende benauwdheid van de clancultuur met de structurele onderdrukking van de vrouw in de Islam. Voor haar is er geen sprake van evenwaardige culturen.
“Een harde les die ik geleerd heb, maar die veel goedbedoelende westerlingen maar met moeite kunnen accepteren, is dat alle mensen gelijkwaardig zijn, maar dat niet alle culturen en godsdiensten gelijkwaardig zijn”.
En dat ontsnappen gaat gepaard met schrijnende schaamte (als onderdeel van het woedecomplex, dat gestold is in haat), met mededogen, diep verdriet, angst, nijpend schuldgevoel en verbijsterend ongeloof. Ayaan is perplex over onder andere de houding van westerse feministen, die het probleem van structurele onderdrukking van de eigen sekse niet willen onderkennen.
“Volgens de Koran en de sharia zijn man en vrouw niet gelijk. De vrouw is in fysiek, intellectueel, emotioneel en moreel opzicht inferieur aan de man, en de vrouw heeft dan ook minder rechten. De Koran stelt dat de vrouw de helft erft van wat een man zou erven: ‘God draagt u op ten aanzien van uw kinderen: voor de knaap zoveel als het aandeel van twee meisjes’ (4:11). Het getuigenis van de vrouw is voor de islamitische rechtbank half zoveel waard als dat van een man. Zelfs in een verkrachtingszaak geldt dat het getuigenis van het slachtoffer de helft is van dat van de dader’, enz. (pagina 191/192).
Verder zegt ze dat de westerse mens niet (meer) weet wat het betekent onvrij te zijn en wat onderdrukking en verdrukking willen zeggen.
Moslims kijken naar ons en ook naar mij als een Christen. Ik was dat ooit, maar ik ben dit intussen niet meer. Ik wil niet meer gezien worden als Christen in die traditioneel religieuze aanduiding. Ik wil en kan niet meer worden vastgepind op een dergelijke kwalificatie. De secularisatie van onze samenleving heeft massale vormen aangenomen en met mij zijn er velen die zichzelf niet meer als Christen willen zien. Zelf heb ik in mijn tienerjaren ook een periode van ontvoogding doorgemaakt, waarbij ik ontsnapte uit een benauwd katholiek kader. Ook in die besloten wereld deinsden de “goede herders” niet terug voor straf en vergelding (met zelfs nog een milde vorm van lijfstraffen) als we niet voldeden aan de eisen en de vormen die werden gesteld. Het waren de jaren 50 en 60 in Nederland en België, waarbij de clerus zeker in kleine dorpsgemeenschappen nog de toon, het ritme en de dans bepaalde.
Uiteraard staat dit in schriele verhouding tot de ultiem dwingende moslimcultuur in een clansamenleving zoals Ayaan die beschrijft, maar ik begrijp enigszins de enorme opluchting en het gevoel van bevrijding nadat je eraan ontsnapt bent. Ook in mij heeft nog lang daarna een schuldgevoel geklemd, maar ik hoef niet in de wezenloze angst te leven dat ik zal worden omgebracht omdat ik mijn geloof heb afgezworen en me van de kerk heb afgekeerd.
Het knappe en tegelijkertijd ontroerende ervan is dat Ayaan zegt zonder ressentiment terug te kijken naar die periode waarin ze haar persoonlijke revolutie heeft doorgemaakt. Ze wil de terreur van de haat en woede niet in zichzelf een voedingsbodem geven om met eeuwige wrok te blijven zitten. Dit deelt ze op eenvoudige en serene wijze mee aan haar nog ongeboren dochter in het laatste hoofdstuk.
Willem van Lit
25 april 2010
Nomade
Ayaan Hirsi Ali
Uitgeverij Augustus
Maart 2010
zaterdag 24 april 2010
Atlantisch rendez-vous: verhalen uit de Kraalzee
“Ik schep nú al mijn herinneringen om mijn nieuwe oorspronkelijkheid te bewaren. Om de vergetelheid een loer te draaien”. U vindt deze overweging terug in aflevering 116 van deze bundel weekboekafleveringen, die ik in de periode van juni 2003 tot juni 2006 schreef tijdens mijn verblijf in het Caribische gebied. Dit weekboek is eerder in afleveringen gepubliceerd op internet.
In het weekboek dat u nu in handen heeft, ligt een zoektocht vast naar mijn originele bezieling een Atlantische ontmoeting vanuit de Kraalzee te schrijven. Maar waar moet je beginnen? Wat is nog authentiek? Of is deze bundel misschien een monument van mijn eigen illusie?
Willem van Lit (11 maart 1953) schreef eerder een boek over de Caribische eilanden, waarbij hij een alternatief schetste voor de sociale ontwikkeling van het gebied. Zijn betoog was toen voor een klein deel gebaseerd op de weekboekverhalen in deze bundel. Een aantal lezers van zijn weekboek heeft hem gestimuleerd tot het bundelen van de afleveringen.
De bundel zal half mei verschijnen bij uitgeverij Free Musketeers (Zoetermeer). Nadere informatie volgt.
Het weekboek Antillen is in de periode 2003 - 2006 al gepubliceerd op het internet: www.schrijf.net. De beheerder - Renzo Kooi - heeft deze befaamde schrijverssite gesloten op 1 januari 2006. Voor mij heeft hij gedurende ruim een half jaar de site open gehouden.
In het weekboek dat u nu in handen heeft, ligt een zoektocht vast naar mijn originele bezieling een Atlantische ontmoeting vanuit de Kraalzee te schrijven. Maar waar moet je beginnen? Wat is nog authentiek? Of is deze bundel misschien een monument van mijn eigen illusie?
Willem van Lit (11 maart 1953) schreef eerder een boek over de Caribische eilanden, waarbij hij een alternatief schetste voor de sociale ontwikkeling van het gebied. Zijn betoog was toen voor een klein deel gebaseerd op de weekboekverhalen in deze bundel. Een aantal lezers van zijn weekboek heeft hem gestimuleerd tot het bundelen van de afleveringen.
De bundel zal half mei verschijnen bij uitgeverij Free Musketeers (Zoetermeer). Nadere informatie volgt.
Het weekboek Antillen is in de periode 2003 - 2006 al gepubliceerd op het internet: www.schrijf.net. De beheerder - Renzo Kooi - heeft deze befaamde schrijverssite gesloten op 1 januari 2006. Voor mij heeft hij gedurende ruim een half jaar de site open gehouden.
vrijdag 5 maart 2010
De laatste roos van zomer
Vanuit de verte hoorde zij dat hij
verdween, het pad af door de rozenboog
waarop de zon haar oudste licht omhoog
verwekte en verzwakte; dan voorbij,
hoe hij heel snel het pad op draaide; vrij
op stap het roestig bladerdek bewoog.
Ze wist, ze wacht en waakt met speurend oog
de lange winter door, het stom getij.
De wind stak op en uit het kille vlak
van ’t veld, waarover hij gelopen had,
kwam uit de losgewoelde grond nog broos
de leegte op; een stil verbond dat brak.
En op ‘t moment dat zij naar buiten trad
herkende zij de geur: de laatste roos.
(september 2002)
verdween, het pad af door de rozenboog
waarop de zon haar oudste licht omhoog
verwekte en verzwakte; dan voorbij,
hoe hij heel snel het pad op draaide; vrij
op stap het roestig bladerdek bewoog.
Ze wist, ze wacht en waakt met speurend oog
de lange winter door, het stom getij.
De wind stak op en uit het kille vlak
van ’t veld, waarover hij gelopen had,
kwam uit de losgewoelde grond nog broos
de leegte op; een stil verbond dat brak.
En op ‘t moment dat zij naar buiten trad
herkende zij de geur: de laatste roos.
(september 2002)
Abonneren op:
Posts (Atom)
